De schijnbewegingen van sociale mobiliteit

Een boerenzoon die professor wordt of trouwt met de notarisdochter, het vervult ons nog steeds met trots. Trots op de grote sociale mobiliteit in onze maatschappij. Oké, het ‘van krantenjongen tot miljonair’-sprookje bleek te romantisch. Maar het idee erachter bleef aantrekkelijk. Zo ziet FNV-voorzitter Tuur Elzinga in klassenstrijd ‘de motor voor verandering’ (De Volkskrant, 03-09-24).

Sociale mobiliteit en klassenstrijd

Sociale mobiliteit veronderstelt sociale klassen en verschillende posities op een maatschappelijke ladder, met bijpassend inkomen, vermogen en aanzien. Ten tijde van Marx was er gedurende iemands hele leven bijzonder weinig kans op enige sociale mobiliteit. Ook bestonden er slechts twee klassen: de bourgeoisie (met al haar geld en bezit) en het proletariaat (met weinig meer dan de geschiktheid tot arbeid). Inmiddels is de sociale mobiliteit aanzienlijk toegenomen, evenals het aantal klassen. Volgens het Sociaal Cultureel Planbureau (2023) telt Nederland er zeven. Ook constateert het een ‘structurele ongelijkheid’ daartussen.

            De aandacht voor klassenverschillen bracht grote verbeteringen in het leven van arbeiders. Maar kennelijk niet een gelijkere verdeling van welvaart. Die blijft onevenredig terechtkomen bij een slinkende elite van allerrijksten. De Verelendungstheorie van Marx (1848) voorspelde dat een verpauperde arbeidersklasse vanzelf leidt tot een revolutie en daarna een klassenloze maatschappij. Het liep anders. Ondanks een hoger klassenbewustzijn binnen de ‘arbeidersbeweging’ bleef die revolutie achterwege. De klassenstrijd leverde voor de arbeider niet minder ongelijkheid op maar wel veel minder ‘Elend’. Dat haalde de angel uit het revolutionaire elan, een soort ‘repressieve tolerantie’ in termen van Marcuse (1965).

De achtergrond van een uitgebleven revolutie

Dat die revolutie uitbleef komt vooral door de grote invloed van geld, met name de koppeling van arbeid aan loon. Arbeidsloon is een individuele beloning, onontbeerlijk voor iemands individuele bestaanszekerheid. Zonder loonarbeid, door de persoon zelf of een naaste, redt een mens het niet in deze wereld. Hierdoor blijkt ieders bewustzijn als individu doorgaans veel sterker dan ieders bewustzijn als lid van een klasse. Temeer doordat zelfs de kleinste loonverschillen tussen leden van dezelfde of een andere klasse bijdragen aan uitgekiende verdeel- en heerstactieken. Dit houdt stijgers op de maatschappelijke ladder tevreden zolang ze stijgen en dalers ontevreden zolang ze dalen. Aldus zijn we meer bezig met stijgen en dalen dan met het oplossen van gemeenschappelijke problemen en het produceren van iets nuttigs. Die revolutie kreeg zo geen schijn van kans.

Stoelendans op drijfzand

Trouwens, die revolutie zou sowieso op drijfzand hebben berust. Sociale mobiliteit heeft pas enig fundament als iemands prestatie gevolg is van een strikt-individuele verdienste, als verdienste te meten valt en als een hogere/lagere beloning moreel gerechtvaardigd is. Dit zijn drie totaal onverdedigbare aannames. Zie ‘De tirannie van verdienste’ (Michael Sandel, 2020).

            Deze tirannieke mythe geeft een goed gevoel bij wie succes heeft. Maar niet bij ‘falers’. Velen geven het op en lopen vast. Lees ‘Armoede uitgelegd aan mensen met geld’ (Tim ’S Jongers, 2024). Zij die wel (proberen te) bewegen, belanden in een onderlinge strijd om zelfbehoud. Solidariteit wordt marginaal. Zowel binnen als tussen klassen, die ook nog eens versplinteren. Sociale mobiliteit maakt mensen niet socialer.

            En waarom? Hoeveel zin heeft sociale mobiliteit als die slechts neerkomt op een veredelde stoelendans? Soms, na veel betutteling, onderwijs of gesubsidieer, wisselen de poppetjes van plaats maar blijven de rollen bewegingloos.

Arm en rijk

Niettemin beschouwen velen arm en rijk als klassen en de mobiliteit van arm naar rijk als de meest begerenswaardige vorm van stijgen. Echter, zo’n visie benadrukt de verschillen en verhardt de standpunten tussen mensen. En daar heeft niemand wat aan.

            Zodra armen en rijken elkaar niet reduceren tot representanten van een klasse, kunnen ze elkaar ontmoeten als gelijkwaardige medemensen met tal van dezelfde kenmerken, wensen en zorgen. Dat garandeert nog geen algehele nivellering van welvaart. Wel is het een begin. Het geeft armen en rijken de kans om de groeiende kloof tussen hen te ervaren én aanpakken als een gezamenlijk project. Omwille van henzelf, hun nageslacht en de aarde. Dat vergt een ingrijpende herverdeling van macht. Evenals een mentale omwenteling: bij (sommige) armen de bevrijding uit hun deemoed en bij (sommige) rijken uit hun zelfgenoegzaamheid. Maar het is haalbaar wanneer niet sociale mobiliteit of klassenstrijd het devies is maar sociale ambitie. Wel zullen daarnaast de volgens ons grootste obstakels voor sociale ambitie, geld en bezit, geleidelijk moeten verdwijnen. Misschien komt zo die klassenloze maatschappij er dan toch. Een maatschappij zonder hiërarchie en welvaartsverschillen maar vol beweging.

 

Wil je reageren? Ga naar:

 

 

 

 

‘Het was verkeerd om van de bourgeoisie een klasse te maken. De bourgeoisie is gewoon het tevreden deel van het volk.’

Victor Hugo (1802-1885)

 

 

 

 

 

 

‘The upper class desire to remain so, the middle class wish to overthrow the upper class, and the lower class want a classless system.’

Georg Orwell (1903-1950)

 

 

 

 

 

’There's room at the top they are telling you still

But first you must learn how to smile as you kill

If you want to be like the folks on the hill

A working class hero is something to be

A working class hero is something to be.’

John Lennon (1940-1980)

 

Maak jouw eigen website met JouwWeb