Het failliet van de ruileconomie

De behoefte aan geld en bezit is in onze maatschappij stevig verankerd. Evenals de behoefte aan ruilen, de activiteit waarvoor we geld en bezit gebruiken. Beide behoeften hangen nauw samen. Zonder ruilmogelijkheid verliezen geld en bezit, vroeg of laat, al hun waarde. Toch ligt ondanks die samenhang de behoefte aan geld en bezit soms stevig onder vuur maar blijft de behoefte aan ruilen buiten schot. Reden voor een vraag als: is een ruileconomie nog wel houdbaar? En: hoe noodzakelijk is ruilen eigenlijk?

Overal wordt geruild

Ruilen, oftewel handel, lijkt onze voornaamste tijdsbesteding geworden. We marchanderen wat af! Een nier voor een kom rijst, wat bomen voor een vliegvakantie, donaties voor gemoedsrust, arbeid voor een loon, belastingkortingen voor een gunstig investeringsklimaat, mooie beloften voor stemmenwinst, militaire bewapening voor geopolitieke stabiliteit, aangepast gedrag voor vrijlating, uitkoop van boeren voor stikstofreductie, het houdt niet op. Van Nederlanders zegt men dat ruilen hen groot maakte. Ook wordt beweerd dat het zorgt voor wereldwijde welvaart en vrede tussen de volken.

            Hoe dan ook, ruilen duikt overal op in onze maatschappij. En op het oog is dat een zegen. Als er al iets aan mankeert, lijkt dat slechts een uitwas. Doorgaans maakt ruilen het mogelijk om talloze particuliere doelen op een betrouwbare, efficiënte en iedereen tevreden stemmende wijze te bereiken. Precies zoals het moet want ‘voor wat hoort wat’, zo hebben we geleerd. Wat kan er nou socialer zijn dan dat? Ruilen is, in zekere zin, zelfs een teken van civilisatie. Het is een manier om door (nagenoeg) geweldloze interacties een eigenbelang te dienen. Wel moeten de betrokken partijen elkaar met hun tegenprestatie niet teleurstellen. Die wederkerigheid maakt onze maatschappij beschaafder dan wanneer belangenconflicten simpelweg worden beslecht door het recht van de sterkste.

De adder onder het gras

Maar helaas zit er een adder onder het gras. Die zogenaamde beschaving betreft slechts een flinterdunne buitenlaag. Daaronder schuilt een bikkelharde concurrentiestrijd waarin niet de sterkste maar de rijkste overwint, ofschoon deze waar nodig evengoed profiteert van een stevige portie (staats)geweld. De gevolgen voor onze maatschappij zijn desastreus.

            Zo is inmiddels duidelijk dat de uitkomsten van ruilen grotendeels ten goede komen aan een elite en ten koste gaan van de aarde (inclusief planten en dieren) en van medemensen. De aarde lijkt bij dit alles het gemakkelijkste slachtoffer. Ze heeft namelijk hierin helemaal niets te zeggen. Bij al dat geruil wordt onze planeet, ondanks pogingen om bijvoorbeeld bergen een ‘stem’ te geven, niet eens als partij erkend. En dat is logisch. Zij is nu eenmaal geen entiteit waarop een concept als een bewuste tegenprestatie van toepassing is. Met de aarde valt dus niet te ruilen, ook al meent men (mogelijk goed bedoeld) namens de aarde te kunnen spreken of gebruik en misbruik van de aarde te kunnen beprijzen.

            Wat medemensen betreft gaat hetzelfde op voor diegenen die om een of andere reden, maar altijd volgens de geldende ‘wetten’ van de markt, in hetzelfde schuitje verkeren als de aarde en eveneens helemaal niets (of heel weinig) te ruilen hebben. Sommigen van hen hebben nog het ‘geluk’ te wonen in landen die, vanwege hun kolonialistische ruilpraktijken en/of door sociale bewegingen bedongen compromissen, over de middelen beschikken om iemand nog een minimaal menselijk bestaan te bieden. Overigens, opnieuw in ruil voor iets: tevredenheid. Maar voor veel wereldburgers is zelfs dat niet weggelegd en rest een bestaan ver onder de armoedegrens. Degenen die hiervan profiteren, doen dat niet doordat ze zo onverbeterlijk asociaal zouden zijn maar doordat ze, vanwege opvoeding, reclame-industrie, onwetendheid, financiële schulden en/of aangeprate statusdrang eveneens behoren tot de gedupeerden van onze ruileconomie. Zelfs de vele machthebbers die hun medeburgers bejegenen met wapens, corruptie, desinformatie, verwaarlozing of censuur, zijn net zo goed slachtoffers.

Geen schuld maar verantwoordelijkheid

Daarom hebben we het niet over schuld. We zijn allemaal geboren en getogen in een systeem waarin (bijna) alles draait om ruilen. Wel hebben we het over verantwoordelijkheid. Velen van ons, arm of rijk en waar ook ter wereld, weten intussen dondersgoed waar we eigenlijk mee bezig zijn en dat het zo niet langer kan. Dit geeft ons, weliswaar sommigen meer dan anderen, de morele plicht om voor onszelf en de generaties na ons tenminste te proberen het tij te keren. Niet omdat de mensheid, de aarde of zelfs de hele kosmos ook maar enig doel dient. Wel omdat wij mensen kennelijk wezens zijn die, ondanks al die zinloosheid, graag denken (en misschien terecht) te kunnen kiezen om wel of niet iets goeds van het leven te maken.

De beperkte blik van ruilers

Echter, goed of slecht hangen erg af van wat zichtbaar is. Zeker in geval van ruilen omdat het daarbij altijd gaat om de waarneming door slechts twee partijen. Deze ‘vergeten’ vaak de belangen van andere betrokkenen. Dikwijls uit onwil of onmacht om weerstand te bieden tegen de verlokkingen van korte termijn doelen. Maar ook uit blikvernauwing. Een allesomvattend overzicht waarin de belangen van iedereen nu en in de toekomst volledig zijn meegenomen, is een illusie. Maar wie streeft naar tenminste een enigszins ruime blik, heeft tegenwoordig de omstandigheden flink tegen. In onze sterk geïndividualiseerde maatschappij moeten mensen zoveel mogelijk zelf in hun bestaanszekerheid voorzien en daartoe zelf hun ruilpotentieel op peil brengen en houden. ‘Op eigen benen staan’ is het parool. En de veruit effectiefste manier om ruilpotentieel te verwerven is via loonarbeid, ofwel het ruilen van arbeid tegen geld. Immers, ‘Loon naar werken’ luidt nog een ander parool. Daarnaast hebben de doorgeslagen arbeidsdeling naast de ongeremde globalisering, beide ten behoeve van zo efficiënt en winstgevend mogelijk ruilgedrag, het steeds moeilijker gemaakt voor zelfs de meest welwillende arbeiders om alle aspecten van hun arbeid te kunnen overzien. Loonarbeid, geld en bezit hebben de blik van ruilers steeds verder ingeperkt, zowel op de wereld om hen heen als op zichzelf. En zo is ruilen steeds meer ons productieproces en consumptiepatroon gaan beheersen, met alle gevolgen van dien.

Ruilen is geen samenwerken

Ruilen doet niet alleen iets met het blikveld van mensen maar ook met hun interacties. Gewoonlijk wordt ruilen, zelfs letterlijk, verkocht als een soort samenwerking. En we zijn dat als gevolg van velerlei socialisatieprocessen nog gaan geloven ook. Als we bijvoorbeeld een brood kopen of verkopen, denken we daarmee een ander te helpen en ‘dus’ heel erg sociaal te zijn. Maar als we wat beter en eerlijker naar onze motieven voor ruilgedrag kijken, dan blijkt dat die veelal helemaal niet zo sociaal zijn. Het ruilen van geld (of iets anders) voor brood of andersom, dient voor beide partijen enkel een particulier belang en geen gemeenschappelijk belang. Natuurlijk kan de ruil gepaard gaan met bijvoorbeeld een zeer onderhoudend gesprek over het weer of het laatste nieuws. Maar dat is niet waar koper en verkoper elkaar voor opzoeken en op afrekenen. De klant koopt een brood puur ten voordele van zichzelf en niet de bakker of hoogstens in tweede plaats. Omgekeerd geldt voor de bakker precies hetzelfde. Zodra een van beiden ontevreden is over de deal zoekt deze zonder pardon een andere ruilpartner. En we gaan er prat op een wereld te hebben gemaakt die ons deze ’vrijheid’ van keuzes biedt. Maar echt sociaal en aangenaam zijn zulke interacties niet. Ze zijn kil en vluchtig. En dat komt doordat ze doortrokken zijn van concurrentie.

            Bij concurrentie draait alles om particuliere machtsposities. Deze zijn nooit helemaal gelijk. Altijd is er een machtsverschil. In een competitieve context zal de ene ruilpartner streven naar vergroting van het verschil en de andere naar verkleining ervan. Wie het meest slim en gewetenloos ruilt, wint het meest aan macht. Maar geen van beide partners is erop gericht het verschil in macht op te heffen. We zien dat aan tal van interacties tussen individuen, bedrijven, organisaties, landen en zelfs hele continenten. En vooral daar waar sprake is van loonarbeid. Werkgevers proberen (uit lijfsbehoud, een obsessie voor macht of inhaligheid van banken dan wel aandeelhouders) hun kapitaal op een winstgevende manier te ruilen voor de arbeidskracht van een werknemer. Bij winst is die werknemer, trouwens vaak bij voorbaat al de zwakste partij, de laatste die daarvan profiteert en bij verlies de eerste die de laan uitvliegt. Hierin zit geen enkele serieuze poging om machtsverschillen te beperken, laat staan weg te nemen. En dat is helemaal in lijn met de meerwaardetheorie van Marx uit 1867 die erop neerkomt dat werknemers door hun arbeid meer waarde opleveren dan terugkrijgen, hetgeen de machtsongelijkheid slechts vergroot. Anno 2024 geldt dat nog steeds en leven we in een wereld waarin de ander of het andere pas dan enig respect krijgt indien ermee te ruilen valt en een ruil dienstig is aan de eigen, particuliere machtspositie.

            Toch is er in deze wereld nog iets meer nodig alvorens een ruil daadwerkelijk tot stand komt. Binnen een competitieve context zijn ruilers bijzonder achterdochtig naar elkaar. Om elkaars bedoelingen minstens voor even het voordeel van de twijfel te kunnen geven, is het noodzakelijk te doen alsof particuliere prestaties exact meetbaar, kwantificeerbaar en onderling vergelijkbaar zouden zijn. Daartoe mogen een hulpmiddel als een klok en een ruilmiddel als geld doorgaans niet ontbreken. Aldus kan het ‘gelijk’ en (tekenend voor het wantrouwen) liefst ook ‘tegelijk’ oversteken net genoeg de schijn wekken van objectiviteit en eerlijkheid. Maar ook dan vergt de concrete invulling van deals nog bijzonder veel gesteggel aangezien ruilers blijven proberen elkaar af te troeven. Al met al, en zelfs als we de wat hardere ruilpraktijken zouden wegdenken, is ruilen een vorm van concurreren en beslist niet van samenwerken.

Van ruileconomie naar deeleconomie

Het ABC-model, zoals beschreven in ‘Een wereld zonder geld en bezit’, is genoemd naar wat het beoogt: een Algemene Belangen Coöperatie. Het model schetst een toekomstbeeld waarin ruilen is vervangen door delen. Geld en bezit zijn afgeschaft zodat ruilen niet eens mogelijk is. En afgezien van schaarstes die altijd kunnen optreden, voorzien kleinschalige gemeenschappen in alle behoeften van de eigen leden zodat ruilen voor hen ook niet nodig is. Alles gaat, zonder enige tegenprestatie, op basis van het samen delen van goederen en diensten die allemaal dankzij interne samenwerking door de leden voortkomen uit de gemeenschap zelf. Ook als die zelfvoorziening nog onvolledig is, blijven ruilactiviteiten achterwege en wordt er samengewerkt met andere gemeenschappen die daartoe eveneens zonder tegenprestatie graag bereid zijn.

            Een dergelijk model roept natuurlijk heel wat vragen op, waarvan deze misschien nog het meest: waarom zouden individuen (of andere actoren zoals hele gemeenschappen) zich zonder ruilen eigenlijk nog voor de bestaanszekerheid van anderen willen inspannen, te meer als die anderen nota bene vreemden kunnen zijn? Ons antwoord hierop raakt diverse in het boek besproken kwesties die allemaal verband houden met coöperatie. Op een daarvan gaan we, vanwege de nauwe relatie met ruilen, hier wat nader in: de beloningskwestie.

Beloningen

Het gedrag van mensen, of dat nou valt onder ‘arbeid’ of niet, hangt in hoge mate af van wat zij als belonend ervaren. Bij ruilgedrag is dat de tegenprestatie door de ruilpartner. Tegenwoordig is het gebruikelijk dat de inbreng van beide ruilpartners bestaat uit iets materieels: geld of een ander tastbaar bezit. Veel minder gebruikelijk is dat de inbreng van beide ruilpartners bestaat uit een dienst. Zo’n dienstenruil met gesloten beurs is immaterieel te noemen op grond van hetgeen ruilpartners bij hun tegenprestatie inbrengen, namelijk kennis en vaardigheden. Vaak zijn deze mede verworven door eerdere (geld)investeringen in bijvoorbeeld een opleiding of apparatuur. Of die investeringen nu wel of niet worden meegewogen, in beide gevallen gebeurt een dienstenruil in een context van ‘voor wat hoort wat’ en onder de aanname dat ingebrachte kennis en vaardigheden behoren tot particulier eigendom én de aanname dat ook dit soort bezit objectief en eerlijk ruilbaar is. Een ruil door middel van diensten is dus evengoed gebaseerd op een bezitsverhouding. En evengoed bepaalt de schaarste van een dienst op een zogenaamd ‘vrije’ dienstenmarkt hoeveel macht iemand door een ruil kan verwerven. Wie op die markt weinig of niets te ruilen heeft, delft het onderspit. Daarom ontbreken in het ABC-model álle beloningen die verband houden met een vorm van ruilen, ook dienstenruil.

            In het ABC-model zijn het geheel andere beloningen die mensen tot bepaald gedrag motiveren. Van ruilen en tegenprestaties is daarbij geen sprake. Wel zijn beloningen immaterieel en collectief. Binnen elke maatschappij is bestaanszekerheid een belangrijke, zo niet de belangrijkste, drijfveer in het leven van mensen. Het ABC-model biedt wereldburgers, ongeacht hoe of waar ze leven, weliswaar geen totale garantie maar wel voldoende geruststelling dat redelijkerwijs hun bestaanszekerheid gegarandeerd is. Ook al is die zekerheid niet absoluut, ze is wel zo waarschijnlijk dat mensen erop vertrouwen zich geen grote zorgen te hoeven maken over hun eigen bestaanszekerheid of die van anderen, hun nakomelingen en de aarde. Deze zekerheid is onvoorwaardelijk en hoeft niet nog verdiend te worden maar krijgen alle wereldburgers om de eenvoudige reden dat zij wereldburger zijn. Dus zonder plicht tot het leveren van een tegenprestatie. Met het wegvallen van die plicht vervalt ook de noodzaak tot gedrag dat vanuit zelfzucht gericht is op een eigenbelang. Dit maakt de weg vrij tot gedrag dat vanuit onzelfzuchtigheid gericht is op een gemeenschapsbelang.

            Een vrije weg naar gedrag ten behoeve van de gemeenschap betekent nog niet dat mensen die weg ook inslaan en dat gedrag daadwerkelijk gaan vertonen. En juist zulk gedrag is in het ABC-model heel erg gewenst. Bestaanszekerheid voor eenieder ontstaat nu eenmaal niet vanzelf en is alleen haalbaar als voldoende mensen zich in voldoende mate daarvoor inzetten. Daarnaast wordt dat doel het best bereikt door die inzet te tonen in allerlei vormen van coöperatie. Van dit besef zijn burgers in het ABC-model sterk doordrongen. Het belang van coöperatie is waar zij elkaar steeds aan herinneren en wat zij ook dagelijks ervaren. Het maakt deel uit van een ideologie die een verklaring geeft voor hun gedrag en vertelt waarom juist dat gedrag in de praktijk vruchten blijkt af te werpen. Die vruchten zijn in het ABC-model bewust nagestreefde resultaten van samenwerking. Zo is arbeid altijd teamwork en zijn prestaties altijd teamprestaties. In het ABC-model ervaren mensen zo’n teamprestatie als uitermate belonend. Niet vanwege hun eigen specifieke aandeel daarin (dat zoals gezegd nooit iets puur individueels en meetbaar is) maar vanwege hun deelname aan het team op zich. De ervaring van betekenis te zijn voor een team en wellicht nog vele anderen daarbuiten, waaronder mogelijk tal van onbekenden, is voor mensen een uitermate belangrijke beloning. En daarmee is het, naast bestaanszekerheid, tegelijk een voor mensen uitermate belangrijke drijfveer. Zelfs zonder eventuele extra beloningen in de vorm van een door anderen gegeven compliment of ander zichtbaar teken van blijheid, erkenning of dankbaarheid. Te weten en te voelen iets voor anderen te betekenen is voor mensen misschien wel het allerbelangrijkste in hun leven. En vaak is dat voor hen zelfs al genoeg. Maar wel in zoverre zij vrij zijn van zorgen met betrekking tot bestaanszekerheid.

            Toch zijn in het ABC-model zichtbare beloningen als een compliment beslist niet uitgesloten. Als aanvulling op of bevestiging van de algemeen existentiële ervaring er te mogen zijn en ook waardevol te zijn, is een zichtbare beloning nu en dan een welkome verrijking in ieders leven. Dit geldt voor zowel een zichtbare beloning voor een heel team als voor een enkel teamlid. In het ABC-model, waarin mensen zich realiseren dat geen enkele prestatie geheel valt toe te schrijven aan een enkel team of teamlid, draagt een zichtbare beloning voor een niet volledig zelfstandig geleverde prestatie alleen maar meer bij aan het besef anderen nodig te hebben. En terecht want zonder coöperatie kunnen mensen niet eens bestaan.

            Het derde type beloning in het ABC-model wordt ‘intrinsiek’ genoemd. Hierbij is de voldoening die iemand bij een activiteit op zich ervaart al heel erg belonend, dus nog afgezien van een eventuele beloning door iets of iemand anders. In de huidige op concurrentie gebaseerde maatschappij heeft een intrinsieke beloning door arbeid vaak slechts de status van een prettige bijkomstigheid. Denk bijvoorbeeld aan het grote aantal mensen dat zich tevreden stelt met een bullshitbaan of een burn-out blijft riskeren. In het ABC-model dragen een aantal factoren ertoe bij dat intrinsieke beloningen door arbeid juist heel erg waarschijnlijk zijn. Zo is er in het ABC-model geen enkele verplichting tot arbeid. Hoogstens hebben mensen een verplichting tot bepaalde taken die noodzakelijk maar tevens impopulair zijn en die over hen zo eerlijk mogelijk worden gespreid. Verder wordt zowel bij arbeid als bij verplichte taken de inhoud van werkzaamheden nooit alleen afgestemd op gemeenschapsbelangen maar altijd mede op individuele wensen en capaciteiten. Daarnaast hebben mensen de kans om langs democratische weg mee te beslissen over welke producten en diensten de gemeenschap produceert en hoe zij deze produceert. En ten slotte brengt het gemeenschappelijke streven naar zelfvoorziening met zich mee dat er binnen en tussen gemeenschappen relatief weinig sprake is van arbeidsdeling en een monocultuur en des te meer van variatie in arbeid en van cultuurverschillen. En daar hebben individuen en gemeenschappen veel voordeel bij.

De toekomst

Menigeen die is grootgebracht in een op ruilen en individuele verdienste gebaseerde maatschappij, vindt een wereld volgens het ABC-model misschien allerminst aantrekkelijk en rechtvaardig. Anderen vinden een wereld waarin competitie en ongelijkheid ontbreken juist wel aantrekkelijk en rechtvaardig. Hoe dan ook zullen veel aanhangers van beide standpunten het ABC-model nogal onrealistisch vinden. En dat is te begrijpen. Een maatschappij waarin mensen zonder ruilgedrag of arbeidsplicht elkaar, zelfs wereldwijd, voldoende bestaanszekerheid bieden, vergt een gigantische coöperatie én organisatie. In ‘Een wereld zonder geld en bezit’ is dat allemaal wat uitvoeriger toegelicht. Maar hoe realistisch het ABC-model is, kan alleen de toekomst uitwijzen. Niettemin bestaan er nu al allerlei veelbelovende initiatieven die het in elk geval ietsje dichterbij brengen. Denk bijvoorbeeld aan de vele ‘commons’, kortgezegd alternatieve samenwerkingsverbanden, die tegenwoordig duidelijk in opmars zijn. Verder beschrijft het boek nog enkele andere strategieën die nu al helpen om het ABC-model wat meer in praktijk te brengen. Er zijn mogelijkheden te over. Heel toepasselijk daarbij is het bekende motto ‘Think big, act small’. En doe dat vooral samen. Maar liefst zonder te ruilen. Zoek het in die andere beloningen.

Wil je reageren? Ga naar: 

Maak jouw eigen website met JouwWeb